Luisterrijke oorsprong, de glorie van verval

Recensie

Recensie Bergsma Speekenbrink door Jurjen K. van der Hoek:

“Im Anfang war die Tat”. In de tragedie van Goethe wil de held Faust de beginregel van het Johannes evangelie krachtiger tot uitdrukking brengen dan het slappe ‘in den beginne was het woord’. Want voordat het woord gesproken kan worden zal er een handeling gedaan zijn. Een verrichting om het wezen te vormen, dat het woord kan spreken. Hoewel Johannes natuurlijk in zijn woord de godheid zag die voor alle daden zijn daad stelde om de wereld te vormen. De mens komt eerst tot daad om een voortbestaan van zijn wezen te garanderen. Voor beeldmaker Willem Speekenbrink is de korte stelling uit Faust van Goethe aanleiding tot de vorming van zijn kunstwerken, zoals deze tentoongesteld worden bij Kunstlokaal No.8. Het is zijn oorsprong van het leven in zijn atelier.

recensie Bergsma Speekenbrink door Jurjen K. van der Hoek

De daad is het begin van leven, de oorsprong en voortgang van het geslacht. Eerst is er de paring, een liefdevolle erotiek, om in het indringende samenzijn een zaadje te planten waaruit een organisme tot bloei kan komen. Dat eerste huis van een schepsel is beeld in de kunst van Speekenbrink. Het gips ontaardt tot witbenig bot, een kleurloze pot die een bonte inhoud vermoedt. Wat vergankelijk is bloeit op in de volgende generatie. De eigenaardige maar zeer plantaardige en dierlijke schepsels vormen een opzichtige groep. Een gepleisterde stoet tegen een stemmig beige wand in dit lokaal. In de vormen komt de daad tot uiting, althans het gebaar van oorsprong. De figuur is wel de schede, waardoor het leven een uitweg vindt. Maar de gedaante is ook een zaaddoos, een vruchtbeginsel voor creatie. Een gladde baarmoeder, een rotsig omhulsel. Een zaadcel, een stuifmeelkorrel, het kleinste begin voor een groots resultaat. Elk detail dat onderdeel is van de daad om de mens in dat ene moment zich onsterfelijk te vermoeden, opent voor Speekenbrink de gedachte tot scheppen. 

Het plantenleven heeft een weelderig voorkomen. Zoals het tegen de stroom in en met alle winden mee kan acteren, dat is ten voorbeeld van een mensenleven. Ondanks dat het groen vakkundig wordt uitgeroeid steekt het toch telkens weer de kop boven het maaiveld uit. Kijk maar eens door de straten en over de pleinen van een gedetailleerd geplaveide woongemeenschap. Tussen de tegels door, in de naden van het asfalt en de spleten van het beton weet het groen zich te handhaven. Het is voortdurend in gevecht met het voortbestaan. Hoewel de mens daar meermaals een stokje voor probeert te steken. 

Vanuit die wetenschap schept Emmy Bergsma haar composities. De overlevingsdrang van de natuur is haar inspiratie om tot wellustige tekeningen, aquarellen en assemblages te komen. Glorieus bloeiende planten en roemloos verlepte bloemen. In haar kunst herschept de natuur zichzelf, zoals het in mijn tuin zich aanpast en hervormd om te overleven. 

Roei ik de hanepoten, brandnetels en distels niet met wortel en al uit dan komen ze meervoudig terug. Slechts een enkele oorsprong vormt de basis voor een nieuwe rijke groei. Die overvloed legt Bergsma vast in stillevens van plantendelen. In een schetsmatige opzet, elementair zodat het werk wel een abstract spel met kleur en vlak is. Maar ook werkt zij stengel en blad op de nerf uit, en zet er dan een explosie aan diverse tinten overheen. De tekening wordt daarin welhaast weggekwast, maar verdwijnt nooit. 

De voortdurende cyclus van groei naar bloei en verslappen tot verwelken wakkert bij Emmy de geestdrift aan om met toewijding haar kunst te vormen. Talloze variaties op het thema, want de natuur is zo veelvormig dat het onderwerp van alle kanten kan worden bekeken zonder in herhaling te vervallen. Bergsma is bijzonder gefascineerd door het voortdurende verloop in de ontwikkeling van zaad naar plant, van de groei naar het verdorren zodat er aarde is voor nieuw begin. Vooral is die fase van herfstblad en najaarstint in beeld gebracht. Als een herbarium waarbij plantendelen drogen tussen de bladen van dikke boeken. Zo geplet zijn de tekeningen van Bergsma. Het vocht in de nerf vloeit uit over en kleurt het papier. 

Op de vellen zet zij wel haar glazen met te tekenen bloeisels, zodat de natte bodem achterblijft als gekleurde kring op het papier. Het geeft dat werk een speels schetsmatig karakter, alsof het klad uit het schrift is gescheurd en niet in de prullenbak belandt maar tot kunststuk wordt. In qua afmeting grotere werken gaat Bergsma het landschap in en zoekt de werkelijkheid op. Een kleurig grasveld ontspruit zwarte aarde, voor een schemerig bouwsel. Uit het duistere moeras waar de bezieling ligt hangen takken zich te vervelen boven rimpelend water. De assemblages die Bergsma van bewerkt en uitgeknipt papier maakt zweven als collages tegen de muren van het kunstlokaal. De objecten hebben de structuur van stof. Een onderjurk voor de natuur.